Het Circus Jeroen Bosch (3 april 2016)

De Jeroen Bosch-tentoonstelling in het Noord-Brabants Museum is een groot succes. Ondanks de verruiming van de openingstijden is de tentoonstelling nu al uitverkocht. Voor de telaatkomers wil ik daarom inzoomen op het topstuk van de tentoonstelling: de Hooiwagen.

Net als de Tuin der Lusten, dat van het Prado een reisverbod kreeg, is de Hooiwagen een drieluik. In het linker paneel vind je bovenaan het ongerepte paradijs van vóór de zondeval, dit alles gezien door de ogen van de Middeleeuwse mens. De appels aan de boom vertonen nog niet het schaamrood van de verboden vrucht, maar de duivel in de vorm van een slang hangt al op de loer. Het verloop van het Genesis-verhaal kent u: Door het opgeheven zwaard van de engel worden Adam en Eva, voor de verleiding bezweken, uit het paradijs verjaagd. Zelfs door met de hand hun primaire geslachtskenmerken te bedekken kunnen ze hun vloek niet afwenden.

Het grote middenpaneel stelt een allegorie voor, een zinnebeeld van de hebzucht. Centraal staat een wagen vol hooi, die wordt voortgetrokken door gedrochten, half dier, half mens, die je zelfs in je meest benauwende dromen nooit hoopt tegen te komen. Maar verblind door het hoog opgetaste klatergoud laten velen de wagen niet zo maar gaan. Heersers en andere geldverslinders, pronkprelaten en andere praalhanzen, maar ook eenvoudige lieden met lage bedoelingen als een keisnijder, kwakzalver, buideldief of schrok-op, alles en iedereen probeert van de volle wagen een gouden greep te doen. Ze bedriegen en stelen, ze staan elkaar zelfs naar het leven. Intussen wordt de hooiwagen in de richting van het rechter paneel getrokken, waar het hellevuur brandt en baarlijke duivels, voorgesteld als lagere diersoorten, de dienst uitmaken. Maar al die hoogmoedige graaiers hebben daar geen oog voor. Samen met de hooiwagen gaan ze onwetend op weg naar de Dag der Wrake, wanneer hun de eeuwige straf wacht. Dat is het gruwelijke beeld van de hebzucht, zoals Jeroen Bosch het schetst, op een manier die geen kunstenaar vóór hem gedaan heeft: plastisch en indringend.

Het succes van de Jeroen Bosch-tentoonstelling brengt ons tot de vraag: Heeft dit beeld van hebzucht en de bestraffing ervan ook voor ons nog een boodschap? De westerse wereld, ook het christendom, heeft de Verlichting meegemaakt, en daarin past moeilijk het beeld van de eeuwige straf. Maar hoe zit het met de blinde zucht naar klatergoud, naar leeg gewin en kattengespin?

Ik denk, als Jeroen Bosch in onze dagen geleefd had, had hij de hebberigheid in heel veel meer facetten en wellicht in nóg veel gruwelijker vorm afgebeeld.  De hebzucht is immers met de Verlichting niet verdwenen. Denk maar eens aan de spinnende repelsteeltjes, de schrapers, geldschieters of beursspeculanten, de bezitters van preferente aandelen, de baatzuchtigen, profiteurs, baantjesjagers, de smeergeldbedingers, corruptieplegers, belastingfraudeurs, adviesbureaus, declaratiefantasten, zwendelaars, de miljoenenjagers, de lumpsumverdelers, plagiarissen, de outside the box-denkers,  lieden met voorkennis, zij die mededogen lozen of de handelaren in zwarte tulpen of derivaten, die nochtans – naar eigen zeggen – een goed product afleveren: allemaal willen ze uit de welgevulde staatsruif hun graantje meepikken, en dit alles zonder de last van een geweten met zich mee te dragen.

Helemaal achteraan, licht afgescheiden van de lange stoet van graaiers en snaaiers, lopen twee modale burgers, u en ik. Als ons de Uilenspiegel wordt voorgehouden, laat die zien dat ook wij … , misschien … een beetje … Toch?