Ha, een boek!

Als ik in Dordrecht de stiltecoupé binnenstap, zit zij in een hoekje weggedoken met een boek op schoot. Onder de sjaal rond het hoofd steekt gekruld donkerbruin haar met ertussen fijne streepjes zilvergrijs. Met een wijsvinger spelt ze de tekst, alsof er geen woord mag ontsnappen. Pas op mijn omzichtig ‘Goedenavond’  kijkt ze op, om zich onmiddellijk weer te richten op de regel die boven haar wijsvinger oplicht: haar antwoord op mijn groet.

Ik weet genoeg, neem mijn notitieboekje voor wat losse aantekeningen, het begin van wat deze column gaat worden. Af en toe kijk ik quasi peinzend van boven mijn papier en neem haar waar. Als ik scherper kijk, zie ik een glimlach rond haar lippen. Ik begrijp: we zitten in een stiltecoupé, die geen ruimte biedt voor luid gelach. Dan treft me weer die glimlach, nu iets breder dan zonet. Omslachtig ga ik wat verzitten en probeer haar aandacht te vangen in de hoop dat ze me laat delen in haar stil genoegen. Ze is echter zo begaan met wat ze leest dat ze niet voelt hoe ik haar observeer. Op het moment dat ik het wil opgeven, hoor ik een lach, een lach die als een waterval  langs de hoge rots klatert.

‘Zeg het maar.’ Ik wacht even. ‘Je bent hier niet alleen. Mag ik meegenieten?’

Ze kijkt op, pinkt een traan uit haar oog en zegt: ‘Absurd, kostelijk, hilarisch!’ Ze wijst op het boek in haar hand en schiet weer in een lach. Gelukkig gaat ze voorbij aan het feit dat ik haar zo-even schaamteloos heb getutoyeerd. ‘Een cadeautje van een aanbidder, ‘zegt ze, ‘gekregen in de Boekenweek.’

Een aanbidder, dat zoiets nog bestaat, denk ik. ‘Hoe heet het,’ vraag ik.

Hou het zakelijk,’ zegt ze.

‘Waar gaat het over?’

‘De bureaucratie.’

‘En die is niet zakelijk?’ Ik kijk haar aan met twijfel.

‘Hier niet, nu niet, never niet,’ zegt ze. Als ze de frons op mijn voorhoofd ziet, stuurt ze haar wijsvinger naar het midden van een bladzijde en zegt: ‘Let op! De jonge ambtenaar Willy, het ik-personage, moet bij zijn chef, de grote Buhmann komen, en die leidt het gesprek:

‘Nu ter zake… je moet iets aan je kleding doen, en dan bedoel ik niet dat je gisteren je spencer binnenstebuiten aanhad.’

Ik buig mijn hoofd en wacht op een uitbrander.

‘Je hebt allang gemerkt, ik houd me hier niet met onbeduidende dingen bezig.’ Hij wacht op een bevestiging, maar ik kom niet verder dan een glimlach. ‘Luister goed, je bent geen stagiair, je vertegenwoordigt een ambt en bij dat ambt past kledij die gezag uitstraalt.’

‘Ik heb toch een colbert aan,’ verdedig ik me, ‘én een stropdas.’

‘Het verkeerde colbert en de verkeerde kleur stropdas: daar bouw je geen gezag mee op. Hier dragen we een kostuum, grijs; de kleur van de productie.’

‘Is een kostuum niet te duur?’

Buhmann gaat onverstoorbaar door: ‘Met grijs toon je respect voor onze organisatie en oogst je ook zelf respect.’ Hij zakt diep terug in zijn zetel en zegt: ‘Ik verwacht van jou onkreukbaar ambtenaarschap, en dat begint met de juiste kleding.’

De vrouw is gestopt met lezen, als verwacht ze van mij een reactie.

‘Bizar,’ zeg ik. Op dat moment vertraagt de trein, ik sta op.

‘Waar zijn we?’ vraagt de vrouw.

‘In Tilburg,’ zeg ik. ‘Ik moet eruit.’

‘Jammer,’ zegt ze, ‘ik moest er in Breda al uit. Het was ook zo gezellig met u.’

Ze stopt het boek in de tas, schikt haar kleren en staat op. Prompt houd ik de elektrische deur voor haar open. Op het moment dat ze me passeert, zeg ik: ‘Die aanbidder …’

‘Ja,’ vraagt ze en kijkt me aan.

‘Hou die in ere.’

‘Zal ik doen,’ zegt ze als ze het perron opspringt. Ze kijkt niet meer om.