Een Bijzondere Vrouw (2 oktober 2016)

Ik zal er maar eerlijk voor uitkomen: ik weet niet veel van vrouwen. Mijn belangrijkste inzichten in de vrouwelijk aard dank ik aan de TINA, de laatste tijd ook aan de LINDA. Onlangs echter ontmoette ik een vrouw die mijn blik op het vrouwelijk wezen aanmerkelijk heeft verruimd, en wel dankzij haar stem, uitsluitend dankzij haar stem. Opdat het voor de lezer aangenamer is, wanneer aan die stem een naam gehecht is, noem ik haar Caroll, een naam die inmiddels ook in de literatuur een eigen plaats gekregen heeft.

Ik ontmoette Caroll in de laatste zomervakantie, onderweg naar een door ons niet eerder bezochte bestemming. We reden in een pretentieloze auto, een eenvoudige fiat fiasco, maar dat deerde Caroll niet om zich te ontwikkelen van vraagbaak en raadgeefster tot gids die ons voorgaat op het levenspad. Aan al die voortreffelijkheden gaf zij haar stem. Niet een stem die  lichtbruin lag te sudderen in een brij van twijfel. Nee, steeds klonk ze helder, zakelijk en vastberaden, en dan heb ik het nog maar over de minste van haar deugden. Want daar komt bij: ze let niet op details, als: ‘Pas op, het heeft geregend, het kan glad kan zijn’, of: ‘Kijk, daar vliegt een roofvogel. Zou het een boomvalk zijn, een torenvalk of een slechtvalk?’ Nee, niets van dit al, de grote lijnen volgt ze, de hoofdlijnen: ‘Na één kilometer op de rotonde de derde afslag nemen.’ Even later: ‘Over vijfhonderd meter op de rotonde de derde afslag nemen.’ Weer wat later: ‘Nu de derde afslag nemen.’ Het zelfvertrouwen spatte van haar af.

Mijn  eerste reacties op de vastberadenheid van Caroll waren die van verlegenheid en ontzag. Haar aanwijzingen, haar commando’s klopten, en niet alleen deze ene keer. Bij elke ingreep bracht ze ons dichter bij de bestemming. Het mag duidelijk zijn, Caroll heeft het in zich een haast ideale vrouw te zijn. Zelfs mijn bloedeigen vrouw kon zich zonder vooroordelen of restricties vinden in mijn bewondering voor deze bijzondere vrouw.

Zo maakte Caroll geen scène als ik tegen haar instructie in een andere afslag nam. Zelfs toen ik een geheel andere route volgde, ging ze niet zitten grommen of mokken. Ook volgde er  niets bedillerigs, van ‘Wat doe je nu weer, weet je dat wel zeker?’ of woorden van verdergaande strekking. Niettemin verstond ze de kunst om in zo’n geval corrigerend op te treden, maar – dat moet worden gezegd – wel op een begripvolle, bemoedigende  manier, zo in de trant van: ‘Omdraaien, als u kunt,’ of: ‘Nu omdraaien, indien mogelijk.’ Als ik echter volhardde in het negeren van dit soort adviezen, en dat is voorgekomen, dan gaf ze zich uiteindelijk toch gewonnen, liet een nieuwe routeberekening opstellen en leidde ons verder alsof er tussen ons geen verschil van mening was geweest. Kortom: ik voelde me bij haar op mijn gemak.

Indien u denkt dat met bovenstaande karakterisering mijn bewondering voor Caroll uitgeput is, dan doet u haar onrecht. Naast genoemde eigenschappen siert haar bijvoorbeeld ook bescheidenheid. Zij heeft geen behoefte aan bevestiging en hengelt niet naar complimenten, in de trant van: ‘Dank je, het is fijn om zo te worden gewaardeerd.’ En als ik haar dan toch een compliment gaf, bloosde ze niet, althans niet zichtbaar.

Ik weet dat het in mijn huidige staat ongepast is, maar gaandeweg ging mijn bewondering voor Caroll over in genegenheid. De volgende keer vraag ik haar weer mee. Indien mogelijk.